4.9

Woning niet verdeeld

Het komt nog al eens voor dat bij beëindiging van de samenleving partijen verzuimen om naar de notaris te gaan om de woning te verdelen. Wanneer jaren later de woning dan alsnog moet worden geleverd rijst de vraag aan wie de woning moet worden toebedeeld.

Partijen hadden een affectieve relatie die in maart 1999 werd verbroken. De vrouw vertrok vervolgens uit de woning. De man heeft hierna alle lasten van de woning voldaan inclusief de premies voor de levensverzekeringen. Tevens werd een akte van ontslag door partijen getekend bij de notaris waarbij de vrouw ontslagen werd van haar verplichtingen uit de hypothecaire geldlening.

Ook was er bewijs dat de verzekeringsmaatschappij in 1999 een gewijzigd polisblad inzake de met de hypothecaire geldlening samenhangende levensverzekering heeft toegezonden. Volgens de tekst van het polisblad zijn alle eerder afgegeven polisbladen vervallen en houdt de wijziging in dat de man met ingang van 1 november 1999 als enige verzekeringnemer, premieplichtige en verzekerde staat vermeld ter zake van de levensverzekering en de vrouw niet meer.

In 2001 is de man met zijn nieuwe partner in de woning gaan samenwonen. De man is vervolgens in 2017 overleden. Wanneer de nieuwe partner van de man zijn vorige partner aanschrijft over de woning, dan schrijft zij letterlijk het volgende terug: “Ik leef in de veronderstelling dat alles rond het huis was afgehandeld”.  

Hoewel de vrouw dus al bijna twintig jaar niet meer in de woning had verbleven, stelde zij zich op het standpunt dat de woning onverdeeld was gebleven en dat deze alsnog tussen partijen verdeeld moest worden.

De rechtbank stelt de erven van de man in het gelijk. De vrouw gaat vervolgens in hoger beroep. Het gerechtshof oordeelt vervolgens dat het gaat om de vraag of tussen de (inmiddels overleden) man en de vrouw een overeenkomst van verdeling is gesloten ten aanzien van de tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschap van die woning waarbij de woning feitelijk ‘om niet’ is toebedeeld aan de man. Tussen samenwoners kan sprake zijn van een schriftelijke, uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst, welke overeenkomst ook in gedrag besloten kan liggen. Vervolgens oordeelt het hof dat aan de hand van de hiervoor genoemde feiten geoordeeld moet worden dat een overeenkomst als verdeling van de woning kan worden aangenomen in die zin dat de woning feitelijk en ‘om niet’ is toebedeeld aan de man. Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden en de op grond van artikel 6:2 lid 1 BW tussen voormalige samenwoners geldende eisen van redelijkheid en billijkheid, is de vrouw naar het oordeel van het hof gehouden ‘om niet’ mee te werken aan de goederenrechtelijke overgang van de woning aan (de erfgenamen van) de man.

Voornoemde uitspraak van het hof is ook in lijn met eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad d.d. 8 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY4279) waarbij de Hoge Raad onder r.o. 4.2.3 heeft geoordeeld dat “indien aanvankelijk uitsluitend een feitelijke verdeling met wederzijds instemming heeft plaatsgevonden, een protest in verband met de financiële consequenties daarvan uitblijft, partijen onder omstandigheden op de voet van artikel 3:35 BW over en weer erop mogen vertrouwen dat de wederpartij ook rechtens met de verdeling instemt”.

Ons kantoor stond (de erven van) de man terzijde. De uitspraak van het gerechtshof Den Haag d.d. 12 maart 2024 is te raadplegen middels deze link: klik hier.